De zitting – niemand had echt iets misdaan

Op zekere dag moest ik nog maar eens voor de rechtbank verschijnen. De politie haalde mij uit mijn cel en leidde mij naar de wagen.

Ter hoogte van het Poelaertplein in Brussel, niet ver van de Marollen, werd de “beestenbak” geopend en de menselijke lading gelost. Elk met een aantal politiemannen verbonden bewoog het geheel zich in de richting van de oh zo pittoreske ingang. Bij onze aankomst kreeg ik plots een hevige slag in het aangezicht toen we vlak bij de ingang waren. Lichtelijk bekomen dacht ik eerst dat iemand van de politie dat gedaan had maar ik zag alleen het gapende gat van de ingang van het gerechtsgebouw door het ooit door een ruit bevolkte venstergat voor mijn ogen. Dat was waar! Op zekere dag waren inderdaad de inspiratieloze klapdeuren, die enkel aan een dorre administratie konden doen denken, vervangen door deze spannende Far-West-achtige ditto dingen. Gewoon geraakt door het naar buiten zwaaien van de rechterdeur dacht ik. Ik moest weer één van die pastoorsachtige gedaanten gekruist zijn en mijn blik dromerig hebben laten dwalen op zijn zich van het gebouw verwijderende rug, het plein over en dan de trappen af naar ik weet niet waar, de stad in of het gebouw aan de overkant of in dezelfde huizenrij als het robuuste paleis van vrouw Balans. Telkens weer lichtjes ontroerd door het zwarte sjaaltje aan beide kanten afgewerkt met een wit pelsje pinkte ik een traan weg. Jammer dat ik nu dertig jaar moest wachten om argeloos op straat te vragen of dat echt bont was. Helemaal voorop de stoet stapte ik even later, de vuist van mijn bewaker nog steeds in de rug, het gangetje door dat ik maar al te goed kende.

Op het kruispunt van de gang aan de gevelkant, de doorgang (van buiten naar binnen) en de grote hal meer naar achteren toe stond een dame instructies te geven. “Dag mevrouw” zei ik. “Voor welke zaak komt U?” “Zaak J. C.” “Dat is in Marie Popelin in de Regentschapstraat. Wacht maar een beetje hier in de omgeving. Er zal U wel iemand komen oppikken.” Ik sloeg af naar links en begon aan de ledigste namiddag die ik ooit heb meegemaakt. Achteraan links had ooit een drankautomaat gestaan die er hopelijk nog stond, maar nu was ik toch eventjes te nieuwsgierig naar de rest van het schouwspel betreffende het verwijzen van de rest der misdadigers naar hun eigen zittingskamer. De hostess of wat ze dan ook was stond daar gesticulerend uit te leggen aan een paar beduusde gezichten waar de rit van de dag eindigde. Ze begon zo waar te glimlachen. “En U meneer?” Hij sprak er niet eens meer bij. Zijn bewaker deed het woord voor voor hem waarna de hostess een ingewikkelde uitleg betreffende liften, trappen, gangen, deuren en kamers formuleerde. Haar uitleg eindigde op de mededeling van een getal, dat het nummer van de deur waardoor ze naar binnen moesten, voorstelde.

Ik vervolgde mijn weg naar de koffieautomaat, draaide mij om maar zag niemand meer achter mij.   Nu moest ik toch eventjes goed nadenken.  Was ik ontsnapt?  Dat zou de zaak natuurlijk verergeren maar wat kon ik daar desgevallend nu aan doen? Hé dat was waar ook, ze zouden hier een winkelcentrum installeren! Stel dat er toch iets van gekomen was! Ik keerde op mijn schreden terug en inderdaad ontsproot daar voor mijn blik de rommeligste markt die ik ooit gezien had! Wel liep er nog werkvolk langs kraampjes en tussen de rijen door, maar het kwam dik in orde.  Dat moesten sommige anderen nu ook in de mot gekregen hebben hoewel mijn herinneringen uit mijn voorhechtenis in hun geheel gewoon als vaag te omschrijven zijn. De werklui liepen allemaal met een helm op het hoofd terwijl daarvan bij de kooplui en misschien wel de shoppers helemaal niets te bespeuren viel. Ik heb in mijn leven maar één ding gewild en dat was vijfendertig jaar lang werken om daarna van een vol pensioen te kunnen genieten en eventueel van de fratsen van mijn kleinkinderen. Niet dat ik mij over deze laatste ooit vermeldenswaardige verwachtingen gekoesterd heb. Zelfs het meest afgezaagde, verachte en middelmatig leven bleek toch nog een luxe voor wie er ooit mee bedreigd geweest was op het einde van zijn schooljaren niet eens het niveau van de middelmaat te zullen halen!

Ik wist niet goed hoe ik het zou klaarspelen maar zat als een passagier achter de lenzen van mijn ogen toe te kijken hoe een grijzende meneer naderde in mijn gezichtsveld.
– “Meneer, ik ben onschuldig in voorhechtenis gezet, ik kan er echt niets aan doen en ben helemaal niet ontsnapt maar ben nu gewoon mijn zitting aan het afwachten. Wilt U mij a.u.b. een koffietje tracteren?”
– “Tracteren wil ik altijd als je mij maar geen tegenvoorstellen doet want ik neem niets aan van criminelen.”
Hij stapte op een toonbank toe, stond wat te keuvelen of te gekscheren met de waardin en kwam secondenlater terug met twee whiskies waarvan ik de ene dankbaar aannam. De idee wendde wel hoewel ik zo naar een koffietje verlangd had. Ik nipte van het brandende, diep theekleurige vocht. Hij deed hetzelfde maar zei toen plots terwijl hij begon te werken met de lens en belichtingsmeter van zijn reflex-camera:
– “Juffrouw, ik ga enkele kiekjes van U maken. Ik heb echt toelating.”
Ik haalde mijn meest charmante glimlach tevoorschijn, probeerde verschillende posen uit en terwijl het flashlicht alsmaar mijn ogen verblinde nipt ik nogmals van mijn whiskietje.
– “Talent heb je in ieder geval. Mag ik je privé-fotograaf worden?”
– “Ook al word ik vrijgesproken?”
– “Dat word je niet. Waarom zou je trouwens?”
– “Gewoon omdat de schepper daar voor gezorgd heeft. Nu moet ik helaas afscheid van je nemen want … neen dat gaat je niet aazn. Of misschien toch. Interesseert het U van de hele zaak te fotograferen?”
– “Dat doe ik zo al.”
Akelige snertvent dat hij was. Voor het weer te laat was en ik de proper opgekuiste bar in mijn typische troep zou omtoveren stapte ik op mijn medeplichtige toe.
– “Ha!”
Zei die.
– “Al goed zat zie ik.”

Leave a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *